Aan het woord... Larissa Hoogsteder van de Waag

Forensisch zorgverlener de Waag ziet het erkenningstraject als een onafhankelijke kwaliteitstoetsing van haar aanbod. Nuttig én nodig, want gemeentes, zorgverzekeraars en het ministerie van Justitie en Veiligheid vragen steeds meer naar de bewezen effectiviteit van ingekochte interventies.

De meerwaarde van een erkenning

Larissa Hoogsteder is hoofd behandelzaken bij de Waag, het grootste centrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg in Nederland. Zij is tevens verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg aan jeugd en volwassenen die grensoverschrijdend gedrag vertonen, en die al of nog niet met politie en justitie te maken hebben gekregen.

Geen geprotocolleerde kookboeken

Naast haar hoofdtaak legt Hoogsteder namens de Waag ook interventies voor aan de Erkenningscommissie Justitiële Interventies. Ze noemt dat ‘een veeleisende, interessante en nuttige opdracht.’ Want: ‘Via de erkenningsprocedure kunnen we erachter komen of onze interventies zodanig zijn onderbouwd en ingericht dat resultaat verwacht mag worden.’

Het hoofd behandelzaken zegt er meteen bij dat ‘we geen behoefte hebben aan geprotocolleerde kookboeken, maar wel aan formele erkenning van zorgprogramma’s met werkzame elementen die er aantoonbaar toe doen.’

Een andere reden voor de Waag om erkenning voor interventies te vragen, is dat steeds meer gemeentes willen dat zorginstellingen resultaatgericht bezig zijn. Hoogsteder: ‘Het is dan een pré als je kunt laten zien dat je met erkende interventies werkt. Daarnaast,’ merkt ze op, ‘vragen zorgverzekeraars aan instellingen zoals de Waag steeds meer om te werken met zorgprogramma’s waarvan de effectiviteit bekend is. In de forensische setting is dat overigens lastig want reguliere behandelvormen die elders werken, zijn niet per se effectief voor onze doelgroep.’

Meerwaarde erkenning

Erkenning van de commissie heeft volgens Hoogsteder een grote meerwaarde voor ‘onze specialistische zorg.’ Ze licht toe: ‘Daarmee kunnen we aantonen dat we voldoen aan de eisen en voorwaarden die gemeentes, zorgverzekeraars en het ministerie aan behandelvormen stellen. Dat is des te belangrijker nu het ernaar uitziet dat bijvoorbeeld het ministerie straks alleen nog maar behandelingen wil financieren die erkend effectief zijn. Bovendien dwingt het ons om ons zorgaanbod door te ontwikkelen, we komen langzaamaan steeds meer te weten over wat wel werkt en wat niet.’

De leek zou verwachten dat de Waag alleen interventies toepast, waarvan de werkzaamheid al lang en breed is aangetoond. Hoogsteder: ‘Ja, maar we weten niet bij alles of het ook echt werkt bij onze doelgroep. In het verleden zijn er wel eens programma’s bedacht die theoretisch prima klopten, maar in de praktijk toch niet het beoogde resultaat opleverden. Dat is meteen het nuttige van de erkenningsprocedure. Je moet de interventie niet alleen theoretisch onderbouwen, maar ook aantonen dat de uitvoering ervan in de praktijk gaat zoals die bedoeld is en vervolgens de doeltreffendheid toetsen .’   

In het procesonderzoek dat de aanvrager voor een erkenning moet verrichten, beschrijft zij niet alleen of de interventie werkt zoals beschreven, maar geeft zij ook aan wat behandelaren en cliënten vinden dat er beter kan.

Kan best wat minder

Hoogsteder is inmiddels ‘aardig thuis’ in de aanvraagprocedure. ‘De kunst is om een theoretisch goed onderbouwde beschrijving te maken, waarbij behandelaren genoodzaakt blijven om maatwerk te leveren en tegelijkertijd handvatten krijgen om de interventie effectief aan te bieden.’   

Nooit te beroerd om veel en hard te werken, vraagt Hoogsteder zich wel af of alle informatie die de aanvrager aan de commissie moet aanleveren, wel zo nodig is. ‘Het uitvoeren van een procesevaluatie vraagt om enorm veel werk. Dit zou wat eenvoudiger mogen, in eerste instantie is het volgens mij vooral belangrijk om te weten of het zorgprogramma ook in de praktijk uitvoerbaar is.’ Ze vindt het beperkend dat je moet aangeven hoe je de effectiviteit van de interventie gaat onderzoeken. ‘Vaak kom je later tot andere, betere inzichten.’ Hoogsteder wijst er verder op dat je om aan te kunnen tonen dat de interventie daadwerkelijk effectief is, je alle beschikbare onderzoeken naar de interventie uitgebreid moet samenvatten. ‘Dat zou best wat minder kunnen.’

Verlenging

Bijna opgelucht, merkt Hoogsteder op dat de procedure voor de vernieuwing van de erkenning – na vijf jaar – niet zoveel tijd en energie kost. ‘De basisstukken liggen er immers al.’ Ze vervolgt: ‘De herbeoordeling zet je wel weer op scherp. Zo van, wat hebben wij in de loop der tijd veranderd, maar staat nog niet in de handleiding. Het is met andere woorden een geschikt moment om alle informatie weer eens te actualiseren.’

Hoogsteder hoopt dat de aanvrager bij een aanvraag tot verlenging  van de erkenning – na vijf jaar – niet opnieuw procesonderzoek of effectonderzoek hoeft te doen. ‘Op een gegeven moment is de informatie natuurlijk niet meer actueel genoeg, maar het lijkt mij niet nodig om al na vijf of tien jaar opnieuw onderzoek te doen.’

Ze legt uit dat de interventies van de Waag op maat zijn gesneden en dat behandelaren, afhankelijk van de individuele cliënt, keuzemodules wel of niet aanbieden. Bovendien: ‘als we nieuwe oefeningen tegenkomen, waarvan wij hebben gemerkt dat die ook werken en het past binnen de interventie, dan voegen we die toe. De interventie groeit daardoor, maar verandert niet wezenlijk van karakter. De rode draad en de toegepaste werkzame elementen blijven hetzelfde. Als dat wel zou veranderen, dan vragen wij uiteraard niet om een voortgezette erkenning, maar doen we een geheel nieuwe aanvraag. Dat je dán het hele traject weer moet doorlopen, vind ik vanzelfsprekend, in alle andere gevallen niet.’

Uiteindelijk blijft Hoogsteder overtuigd van het belang van de toetsing: ‘De Waag wil resultaat. Wij beschouwen het erkenningstraject als een manier om de kwaliteit van ons aanbod op een onafhankelijke manier te laten toetsen.’

Foto: Wiep van Apeldoorn