Aan het woord....Jessicca Asscher 'Objectieve toetsing van interventies morele plicht''

Dat de jeugdcriminaliteit afneemt, is geen reden voor de samenleving om achterover te leunen. Integendeel, zegt lid van de Erkenningscommissie Jessica Asscher: ‘We moeten interventies blijven ontwikkelen om crimineel gedrag van jongeren terug te dringen. Dat zijn we aan onszelf en de jongeren verplicht.’

Jeugdcriminaliteit bezorgt de samenleving vaak hoofdbrekens. Maar hoe groot is het probleem eigenlijk? Volgens hoogleraar Forensische Orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht Jessica Asscher is het moeilijk om de omvang van de problematiek precies te duiden. Ze wijst erop dat er verschillende cijfers in omloop zijn, onder andere van officiële justitie statistieken, rapportages door jongeren en hun ouders en informatie uit slachtofferenquêtes. Zonder de ernst van de problematiek tekort te willen doen, merkt ze op dat het los van de cijfers goed is ‘om ons te realiseren dat de meeste door jongeren gepleegde misdrijven niet al te ernstig zijn en dat het overgrote deel van de plegers het snel voor gezien houdt, en niet of slechts een enkele keer recidiveert.’

Geen reden om achterover te leunen

Asscher, tevens universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Erkenningscommissie Justitiële Interventies, is sowieso geen somberman. Ze ziet achter de wirwar aan cijfers een ontwikkeling waarbij ‘de jeugdcriminaliteit eerder af- dan toeneemt’ (zie bijvoorbeeld: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/09/jeugdcriminaliteit-daalt). De dalende trend in jeugdcriminaliteit betekent volgens haar echter niet dat we achterover kunnen leunen, dat het probleem zichzelf als het ware vanzelf oplost. Immers, ‘jeugdcriminaliteit leidt evenals andere vormen van delinquent gedrag bij volwassenen tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Maar, en dat is misschien nog wel belangrijker, bij jongeren die delicten plegen gaat er vaak iets verkeerd in hun ontwikkeling. De samenleving is verplicht om ook deze jongeren de kans te bieden zich te kunnen ontwikkelen tot goed functionerende volwassenen, en niet alleen omwille van de eigen veiligheid.’

Interventies om de jeugdcriminaliteit terug te dringen, behoren volgens Asscher gericht te zijn op veranderbare factoren die samenhangen met het ontstaan en in stand blijven van crimineel gedrag door jongeren, zoals opvoedsituatie, agressieproblematiek, psychopathologie, sociale leefomgeving, vrije tijdsbesteding, vrienden en dagbesteding. ‘Ze dienen daarbij afgestemd te zijn op de behoefte van de individuele jongere en rekening te houden met diens mogelijkheden.’

Gebeurt dat ook? Maken de interventies op het gebied van jeugdcriminaliteit een verschil? In september 2007 bracht het Verwey-Jonker Instituut een rapport uit over de aanpak van jeugdcriminaliteit sinds de jaren negentig (https://www.verwey-jonker.nl/doc/jeugd/RapportPODdef-jeugdcriminaliteit.pdf). De conclusie van de onderzoekers toen was dat er een grote verscheidenheid aan interventies bestond, maar dat vaak onduidelijk was of ze werkten.

Verbetering, geen radicale verandering

Ruim tien jaar later stelt ook de Erkenningscommissie Justitiële Interventies nog regelmatig vast dat de effectiviteit van een interventie niet altijd ondubbelzinnig kan worden aangetoond. Asscher geeft het voorbeeld van de Multi Systeem Therapie (MST) in Nederland. ‘Terwijl de deelnemers en ouders aan die therapie een afname melden van strafbare daden, blijkt dat niet uit de door justitie aangeleverde officiële recidivedata. Hetzelfde geldt voor de leerstraf Tools4U: wel verbetering in vaardigheden, geen effect op recidive.’

Het lid van de Erkenningscommissie acht een verbetering van het aanbod nodig, maar pleit nadrukkelijk niet voor een radicale ommekeer. ‘Ik ben al blij wanneer aanbieders duidelijker kunnen maken dat de bestaande interventies hun doelen in voldoende mate bereiken. En dat de interventies ook gericht zijn op zaken die niet direct samenhangen met recidive, denk bijvoorbeeld aan trauma en vaardigheidstekorten, ADHD of geestelijke gezondheidsproblemen.’

De verbeteringen die Asscher bepleit, moeten inspelen op een drietal recente ontwikkelingen. Ten eerste is er de transitie van de Jeugdzorg. Een van de doelstellingen bij de overgang van de Jeugdzorg van Rijk naar gemeente was bevordering van ‘vroegsignalering’ (https://www.movisie.nl/artikel/transitie-jeugdzorg-kans-om-echt-anders-te-doen). Op het gebied van jeugdcriminaliteit is hiervan nog niet veel zichtbaar, vindt Asscher.

Een ander onderwerp dat volgens haar aandacht behoeft, is cybercrime. ‘Ook jongeren plegen cyberdelicten. De ontwikkeling van interventies ter voorkoming of bestrijding hiervan staat evenwel nog in de kinderschoenen.’

Programma’s of gereedschapskisten?

Ten slotte is er een beweging in de jeugdzorg waarbij de aanbieders niet zozeer complete interventies aanbieden, maar steeds meer werken met een basisprogramma, waaraan gaandeweg elementen worden toegevoegd om de effectiviteit ervan te vergroten.

Deze aanpak is verdedigbaar, aldus Asscher, als je uitgaat van de criminologische theorie van de Canadese psychologen Andrews en Bonta.[i] Zij zeggen dat de kans dat een behandeling effectief is, vergroot wordt als deze aansluit op de risicofactoren, behoeften en de responsiviteit van de cliënt. ‘Dit betekent dat wanneer een cliënt problemen heeft als gevolg van een vroegkinderlijk trauma, dat dat trauma als eerste aangepakt moet worden, en dat een cliënt bij wie de problematiek het gevolg is van vaardigheidstekorten, primair in de specifieke, tekortschietende vaardigheden getraind moet worden.’

Op zich kan Asscher met deze aanpak instemmen, maar ze waarschuwt dat ‘we niet alle interventies moeten gaan vervangen door een basisprogramma en een gereedschapskist vol werkzame elementen. Dan krijgen we hulpverleners die à la de wijkverpleegkundigen alle problemen van de buurt op hun bord krijgen, die ze met gereedschap uit hun “toolbox” vervolgens maar moeten zien op te lossen.’

Wat tenminste van interventies mag worden verwacht, zegt Asscher tot besluit, is dat ze stevig wetenschappelijk zijn onderbouwd. ‘Als een overheid jongeren verplicht om programma’s te volgen ter bevordering van hun ontwikkeling , dan moét er een wetenschappelijke bewijs zijn voor hun werking. Het is een morele plicht om objectief te toetsen dat met interventies de afgesproken doelen worden bereikt, vooral bij het werken met kwetsbare jongeren en hun gezinnen. De Erkenningscommissie ziet erop toe dat die toetsing streng doch rechtvaardig gebeurt.’

 

Bron: Andrews, D. A., & Bonta, J. (2010). The psychology of criminal conduct (Fifth Edition). New Providence, NJ: Matthew Bender & Company Inc.