Anti-radicaliserings programma is gebaat bij grondige evaluatie

Wat kun je doen om radicalisering van jongeren te voorkomen? De Nederlandse samenleving heeft miljoenen euro’s uitgegeven aan programma’s om jongeren binnenboord te houden. Anti-radicaliseringsdeskundige Amy Jane Gielen vertelt over hun effectiviteit en wat beter kan.

Radicalisering is een onverminderd groot maatschappelijk probleem, zegt Gielen die naast anti-radicaliseringsdeskundige tevens lid is van de Erkenningscommissie Justitiële Interventies. ‘In ons land is de jihadistische scene nog nooit zo groot geweest en extreemrechts is na jaren van marginalisatie aan een voorzichtige opmars bezig (https://www.aivd.nl/documenten/publicaties/2018/11/05/nctv-publicatie-de-golfbewegingen-van-rechts-extremistisch-geweld-in-west-europa). In absolute aantallen lijkt het probleem mee te vallen, het gaat slechts om enkele honderden radicalen en een paar duizend sympathisanten, maar de maatschappelijke impact van een eventuele aanslag is enorm.’

De grenzen van een interventie

De autoriteiten zijn zich terdege bewust van het gevaar dat radicalisering kán leiden tot geweld. Dat besef heeft in de afgelopen jaren geleid tot de ontwikkeling van diverse interventies. Gielen noemt er een paar: ‘training voor eerstelijnswerkers, theatervoorstellingen en weerbaarheidsprogramma's voor jongeren, opvoedondersteuning voor ouders en, indien er sprake is van daadwerkelijke radicalisering, de-radicaliseringsprogramma's en familieondersteuning voor gezinnen.’

Over de effectiviteit van al die programma’s is relatief weinig bekend. Aan de Erkenningscommissie Justitiële Interventies is pas net een eerste interventie ter beoordeling voorgelegd.

Dat de beoordeling en evaluatie van anti-radicaliseringsprogramma’s nog in de kinderschoenen staat, wil overigens niet zeggen dat we helemaal niets weten over wat werkt. We kunnen leren van alle, reeds bestaande interventies bij criminele- en probleemjongeren en multi-probleemgezinnen. Een ding valt op: de integrale aanpak, vergelijkbaar met die van het Amsterdamse Top 600-programma, zie je overal in het land terug. Het komt er kort gezegd op neer dat geradicaliseerde individuen worden tegengehouden of tot achter de voordeur in de gaten worden gehouden. Verschillende, samenwerkende instanties en hulpverleners voorkomen dat mensen - opnieuw - in de fout gaan.

Duidelijke doelstellingen vereist

De cruciale vraag is hoe we met zijn allen de gewenste verbeteringen tot stand kunnen brengen? ‘Het begint met het stellen van de vraag naar de aanwijzingen op grond waarvan we veronderstellen dat een interventie werkt. Dat we die vraag voorheen lang niet altijd hebben gesteld, is goed verklaarbaar. Met de moord op Theo van Gogh in november 2004 werd Nederland voor het eerst geconfronteerd met jihadistische radicalisering van eigen bodem en was er een prikkel om onmiddellijk actie te ondernemen. Vanaf 2007 tot 2011 hebben gemeenten, verantwoordelijk voor de uitvoering van het anti-radicaliseringsbeleid, miljoenen euro’s besteed. Het motto was dat “er iets gedaan moest worden.” Er was niemand die de tijd nam om te reflecteren, om na te denken over wat we met zijn allen eigenlijk aan het doen waren, en of wat we deden wel werkte.’

Nadat de dreiging van terrorisme in 2011 afnam, kwam er een evaluatie. ‘Dat was op het niveau van “we hebben zoveel bijeenkomsten georganiseerd en daar zijn zoveel mensen op afgekomen.” Dus toen we in 2013 onverwacht met Syriëgangers werden geconfronteerd, was er meteen weer die natuurlijke reflex om aan de slag te gaan. Nu pas, eind 2018, zie je zowel bij de rijksoverheid als bij de gemeenten de tendens om veel meer inhoudelijk te evalueren wat we met zijn allen aan het doen zijn en of dat ook de goede dingen zijn.’

Uit evaluaties tot dusver komt het beeld naar voren dat de doelstellingen van de meeste interventies veel te breed zijn geformuleerd; ze moeten radicalisering voorkomen en tegengaan. Het zou de werkzaamheid van interventies volgens Gielen ten goede komen als de doelstellingen veel helderder worden beschreven. ‘Idealiter door een “theory of change” (https://www.theoryofchange.org/what-is-theory-of-change/) te formuleren, door veel duidelijker te maken wat de principes achter de interventies zijn en door preciezer aan te geven wat de specifieke componenten van een interventie moeten bewerkstelligen. Een theatervoorstelling over jihadisme bijvoorbeeld levert géén directe bijdrage aan het voorkomen van radicalisering. Maar het kan het (taboe)onderwerp radicalisering voor jongeren wel bespreekbaar maken of bijdragen aan een gevoel van erkenning en herkenning.’

Evalueren, evalueren en evalueren

Gielen vindt vooralsnog niet dat er meer interventies ontwikkeld hoeven worden. ‘Er is vooral behoefte aan evaluatie, om te zien of en hoe met bestaande interventies de vastgestelde doelstellingen worden bereikt en of dat beter kan. Pas als uit evaluaties zou blijken dat dit niet kan, zouden we de ontwikkeling van andersoortige interventies kunnen overwegen.’

Net als in 2011 is er nu, met de val van het kalifaat, de neiging om de urgentie van het probleem te onderschatten. ‘Sluipenderwijs is er de tendens om te denken dat het probleem van radicalisering wel meevalt en dat de strijd ertegen best een tandje minder mag.’

Dat gebeurde eerder in 2011, toen er geen concrete aanwijzingen van radicalisering meer leken te zijn. Het actieplan radicalisering 2007-2011, ontwikkeld na de moord op Van Gogh en de arrestatie van de Hofstadgroep, kreeg daarom geen vervolg. Doordat vrijwel alle interventies werden beëindigd, ging veel kennis en institutioneel geheugen verloren. ‘Toen begin 2013 het dreigingsniveau weer moest worden verhoogd, konden we niet anders dan opnieuw het wiel uitvinden. Laten we voorkomen dat we in de nabije of verre toekomst hetzelfde moeten doen, door werkzame interventies te inventariseren en te “vereeuwigen” in de databank. Daarnaast zouden wetenschappers, beleidsmakers en professionals op het gebied van radicalisering door moeten gaan met het uitwisselen van lessen en ervaringen via het Landelijk Steunpunt Extremisme, het Steunpunt Sociale Stabiliteit, de kennisinstituten en via het Europees platform Radicalisation Awareness Network.’

‘Mocht het probleem van radicalisering later onverhoopt weer actueler worden, dan kunnen we tenminste teruggrijpen op methodieken waarvan we weten dat ze werken. Voor dat laatste, moeten we evalueren, evalueren en nog eens evalueren!’

Amy Jane Gielen is oprichter van A.G. Advies - onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van jeugd, welzijn en integratie.