Erkenningscommissie voorkomt lukrake introductie jeugdinterventies

Onafhankelijk en kritisch tegen het licht houden van jeugdinterventies, zo omschrijft pedagoog en psycholoog Jan Hendriks het bestaansrecht van de Erkenningscommissie Justitiële Interventies. Het levert inzichten op die vooroordelen uit de weg ruimen en de effectiviteit van programma’s bevorderen.

Jan Hendriks heeft als lid van de Erkenningscommissie menige jeugdinterventie voorbij zien komen. Wat hem opvalt, is dat het wetenschappelijke gehalte van het onderzoek dat de werkzaamheid van een interventie moet aantonen vaak mager is. De gebruikelijke manier om aan te tonen dat een interventie werkt, is de vergelijking met een controlegroep. Ontwikkelaars bieden hun programma wel aan groep A aan, maar niet aan groep B. Uit de vergelijking tussen deze twee groepen, bestaande uit mensen met dezelfde problemen en kenmerken, zou de werkzaamheid van een interventie kunnen blijken.

Op de onderzoeksmethode zelf is niets aan te merken, zegt Hendriks. ‘Maar wat de, meestal Amerikaanse, ontwikkelaars vaak doen, is dat ze de experimentele groep een zware interventie aanbieden en de controlegroep een lichte, bijvoorbeeld reclasseringstoezicht. Niet geheel verrassend blijkt dan dat de interventie die aan de experimentele groep is aangeboden beter werkt.’ Een tweede probleem dat Hendriks signaleert is dat interventies in de Verenigde Staten veelal worden onderzocht door de ontwikkelaars zelf. ‘Je kunt je afvragen hoe onbevooroordeeld het onderzoek dan nog is.’

In ons land is het gevaar van belangenverstrengeling minder groot, zegt Hendriks. ‘Weliswaar wordt het onderzoek naar de wijze waarop de uitvoering van interventies heeft plaatsgevonden vaak gedaan door mensen die nauw bij het programma betrokken zijn, maar dat vinden we niet zo’n probleem. Effectonderzoek vindt veelal plaats door onafhankelijke onderzoekers en het uiteindelijke oordeel over de effectiviteit ligt exclusief in de handen van de onafhankelijke Erkenningscommissie.’

Maar hoe onafhankelijk is de Erkenningscommissie zelf, u bijvoorbeeld bent behalve commissielid ook als behandelaar verbonden aan het centrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg De Waag?

‘Zodra De Waag een programma indient, verlaat ik de zaal. Ik ben nooit betrokken bij het beoordelen van mijn eigen programma’s.’

Maar u beoordeelt wel programma’s van de concurrent?

‘Ja, en als ik kwaad wil, dan zeg ik dat ik het een slecht programma vind. Serieus: geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om zo te handelen. Daarvoor hecht ik te zeer aan mijn morele, professionele en wetenschappelijke integriteit. Bovendien, de Erkenningscommissie bestaat uit elf leden. Ik kan misschien wel vinden dat een interventie niet goed is, maar ik zal toch echt met goede argumenten moeten komen om de anderen van de juistheid van mijn oordeel te overtuigen.’

Leidt een onafhankelijke beoordeling van justitiële interventie ergens toe?

Voor zijn antwoord gaat Hendriks terug naar zijn promotieonderzoek, eind jaren ’90. Hij keek toen naar het effect van programma’s voor jeugdige zedendelinquenten. ‘Een van de dingen die mij opviel, was dat er van alles gedaan werd - taakstraffen, behandeling in internaten, ambulante behandeling - maar dat niemand wist wat het effect van het een of ander was. De behandelaren waren allemaal sterk betrokken bij de doelgroep, maar in feite wisten ze niet wat het effect was van hun handelen. Voor een wetenschapper is engagement alleen onvoldoende, hij wil weten of een interventie werkt voor het individu of de groep, en of zonder ingrijpen misschien hetzelfde effect kan worden bereikt.’

Er is sindsdien een hoop verbeterd, zegt Hendriks. ‘Nieuwe interventies kunnen dankzij een kritische toetsing niet meer lukraak worden geïntroduceerd. En dat heeft er mede toe geleid dat interventies voor jonge zedendelinquenten bijvoorbeeld er niet langer van uitgaan dat jongeren die een zedenmisdrijf plegen per definitie een potentieel gevaar blijven vormen. We weten nu dat slechts een heel beperkt percentage jongeren ook op volwassen leeftijd zedendelicten pleegt. Het grote voordeel van het inzicht dat maar heel weinig jongeren recidiveren, is dat de zorginzet veelal niet zo zwaar hoeft te zijn.’

Is die ontwikkeling ook te bespeuren bij de andere interventies die de Erkenningscommissie krijgt voorgelegd?

Hendriks vindt het een hele verbetering dat aanbieders steeds meer afstappen van het strikte protocollaire behandelen. Een aanpak die erop neer komt dat iemand met probleem X verschillende vastgestelde stappen moet zetten om ervan af te raken. ‘Dat kan heel goed werken bij enkelvoudige problematiek, als u bang bent voor wespen dan kan ik u via een protocollaire behandeling binnen een aantal sessies van uw angst afhelpen. Deze protocollaire aanpak is echter een stuk minder effectief bij bijvoorbeeld agressieve jongeren, omdat agressie heel veel oorzaken kan hebben, zoals een heftig temperament, laag IQ, ADHD, autisme, beroerde opvoeding, slechte vrienden, achterstandsbuurt en een combinatie van al die factoren.’

De verbetering die Hendriks hier ziet, is dat er steeds meer behandelingen op maat komen waarbij behandelaar en cliënt samen bepalen welke bouwstenen wel worden gebruikt en welke niet.

Uw oratie aan de VU in 2010 had als titel: ‘Wie Joost weet, mag het zeggen.’ Weet u het zelf inmiddels?

Het is een bekende valkuil voor beginnende wetenschappers, maar ook voor behandelaren om te denken dat je alles moet weten. Ons vakgebied is zeer ingewikkeld en wetenschappelijke resultaten spreken elkaar ook nogal eens tegen. We moeten leren met deze tegenstellingen om te gaan, die ons kunnen leren wat voor wie werkt in welke situatie. Hendriks ziet een link met het werk van de Erkenningscommissie: ‘De programma’s die wij erkennen, blijken in de praktijk soms minder goed te werken dan wij op basis van hun theoretische onderbouwing veronderstellen. Omdat kennis tijdgebonden is, beoordeelt de Erkenningscommissie de aan haar voorgelegde interventies zo genuanceerd mogelijk. Wat nu werkt, werkt morgen misschien niet meer en vice versa.’

De Erkenningscommissie is er overigens alert op dat ze niet tot een consumentenbond verwordt die regelmatig melding maakt van de beste en voordeligste koopjes. ‘Als de Erkenningscommissie vindt dat een programma goed theoretisch is onderbouwd, zegt dat nog niet zo heel veel, maar het wordt wel beschouwd als een stempel van goedkeuring. We moeten er te allen tijde op attent zijn dat organisaties daarmee aan de haal kunnen gaan.’

Dit artikel is geschreven door freelance journalist Jan van Dam