In gesprek met Tamara Pultrum, lid erkenningscommissie Justitiële interventies

Wat is jouw functie?

Tegenwoordig ben ik als Hoofd Behandeling en Opvoeding werkzaam in Justitiële Jeugdinrichting Juvaid in Veenhuizen. Juvaid is onderdeel van Het Poortje, de organisatie waar ik al in 1988 startte met mijn eerste baan als orthopedagoog. Destijds was het vooral een “opvangcentrum” waar jongeren verbleven in afwachting van hun strafzitting. Er was geen sprake van ingewikkelde procedures, er werd niet gewerkt met een specifieke methodiek. Hoofdtaak was destijds het verrichten van psychologische onderzoeken. Frustrerend vond ik het om te merken dat we vaak bezig waren om het paard achter de wagen te spannen: gegeven adviezen waren nauwelijks nog uitvoerbaar, kansen in het voortraject leken niet te zijn benut. Reden om na ruim zeven jaar bij de Raad voor de Kinderbescherming te gaan werken (strafrechtelijke en civielrechtelijke afdeling) en daarna bij de jeugdreclassering, om in 2009 terug te keren naar Het Poortje. In deze periode is er in al deze organisaties erg veel veranderd: steeds was ik betrokken bij het implementeren van methodieken. Methodieken gericht op de doelgroep zijn in mijn ogen onontbeerlijk. Het biedt alle professionals een theoretisch kader en een werkzame standaard. Niet om dit als een keurslijf te zien, maar wel als een richtlijn. Afwijken mag altijd, moet zelfs, wil je maatwerk kunnen bieden, maar doe dit wel gemotiveerd. In het verleden was het meer de persoon die het effect van de begeleiding of behandeling bepaalde dan de werkwijze, later verschoof het accent. Mogelijk zijn we daarin in de loop van de tijd wel een beetje doorgeslagen: te veel de focus op protocollen, te weinig op de persoonlijkheid en stijl van de behandelaar. Tegenwoordig is er sprake van meer evenwicht.

Wat inspireert je in je werk?

Wat mij inspireert is dat we te maken hebben met een complexe doelgroep en het duale karakter van de hulpverlening in een forensisch kader. De balans vinden tussen vrijwilligheid, drang en dwang. Het motiveren van de jongere en diens systeem, het proces van ‘ont-moeten’: werkelijk in contact treden en het moeten ombuigen in (deels) zelf willen. Ooit hoorde ik eens een mooie uitspraak: vrijwillige hulpverlening vraagt om gemotiveerde cliënten, gedwongen hulpverlening om gemotiveerde hulpverleners. Het is juist de zoektocht naar het vinden van de ingang, het herkennen van weerstand, het eerste meebewegen van jongeren en ervaren hoe ze zelf tot inzicht komen, wat mij ontzettend boeit in deze sector. Ook het gezamenlijk zoeken naar de juiste weg en het delen van de ervaringen. Hoe moeilijk het ook kan zijn, collega’s voelen een sterke binding en zijn zich er van bewust het niet alleen te kunnen. Kijkend naar het team waar ik in Juvaid leiding aan geef: gedragswetenschappers, methodiek-coaches, traject- en systeembegeleiders, zie ik hoe ontzettend veel plezier we ook met elkaar hebben. Ook het leiding geven aan dit team, het samen ontwikkelen en verder bouwen, geeft mij erg veel voldoening.

Waarom ben je commissielid van de Erkenningscommissie Justitiële interventies?

In mijn werk heb ik vaak meegewerkt aan het implementeren van methodieken. Altijd kwam ik daarin weerstand tegen van medewerkers die van mening waren dat ze al heel goed werk afleverden, die ‘op gevoel’ het juiste doen. Vaak is maatwerk nodig en het is niet verwonderlijk dat veel professionals hun eigen werkwijze ontwikkeld hebben en hier nog moeilijk van kunnen afstappen. Ik heb het wel eens vergeleken met iemand die helemaal zelf heeft leren zwemmen in diep water. Dan moet je achteraf niet met zwemvleugeltjes aan komen lopen. Want zo kan het voelen. Maar met alle begrip voor deze weerstand: we doen ons werk niet solistisch, je moet altijd samenwerken met anderen en die ander moet kunnen vertrouwen op een bepaalde standaard. En die standaard moet evidence based zijn, ontstaan zijn door wetenschappelijke inzichten. Ze moeten ook praktisch uitvoerbaar zijn. Blijf dus wel dicht bij wat professionals kunnen en al doen en sluit aan bij hun werkprocessen. Daar ben ik in de loop van de tijd wel het nodige in tegen gekomen. Toen ik gevraagd werd om lid te worden van de erkenningscommissie, heb ik positief gereageerd omdat ik hoopte in het proces van erkenning een bijdrage te kunnen leveren in het vinden van de balans. Bovendien vind ik het ontzettend interessant en leerzaam om samen met wetenschappers en praktijkmensen uit andere organisaties te discussiëren over innoverende interventies.

Aandachtspunten voor de toekomst

Nu er ook erkenning wordt gegeven op basis van het criterium ‘goed onderbouwd’, verdwijnt de noodzaak van verder onderzoek naar effectiviteit misschien wel te veel naar de achtergrond. Terwijl dit uiteraard wel het doel is van de ontwikkeling van interventies. Onderzoek naar effectiviteit, waar onderzoek naar kosteneffectiviteit een onderdeel van is, is belangrijk. Een ander aandachtspunt: als commissie en als sector aandacht geven aan innovatie en elkaar telkens bevragen waarom een bepaalde interventie nodig is. Wat ontbreekt er dan? De huidige commissie heeft met nadruk de opdracht gekregen om de innoverende kracht in de sector te versterken. Doel is om middels effectieve interventies de behandeling van de complexe doelgroep te optimaliseren. Waar we op moeten letten, is dat we wel toetsen op deze innovatie: waarom een nieuwe interventie ontwikkelen terwijl er een vergelijkbare is? Wat draagt deze nieuwe interventie bij aan hetgeen er al is? Liever dat ontwikkelaars zich verenigen en hun expertise bundelen, dan dat er sprake is van ‘concurrentie’.